| Handboek filologie: A |
![]() |
||
|
Aandachtsstreep Een liggend streepje dat een sterkere rust aanduidt dan een komma. |
|||
|
Aansporing Zie adhortatief. |
|||
|
Aanspreking Zie vocatief. |
|||
|
|||
|
Abductie Een niet strikt logische redeneerwijze, waarmee men een bruikbare hypothese kan krijgen. Afgeleid van het Latijnse abductio (wegvoering). |
|||
|
Abecedarium Een vorm van acrostichon waarbij de beginletters van de verzen of strofe samen het alfabet vormen. |
|||
|
Abele spelen Het uit de tweede helft van de 14e eeuw stammende, ernstig wereldlijk Middel-nederlands drama dat vooral in het milieu van de ridders werd gespeeld. Het thema was vrijwel altijd de hoofse liefde. Afgeleid van het middeleeuwse abel (kunstig), ter onderscheiding van de kluchten. Zie ook deze site. Bijvoorbeeld: Esmoreit en Lanseloet van Denemarken.
|
|||
|
Ablatief, ablativus De zesde naamval, de naamval die aangeeft waardoor of waarmee iets gebeurt, waaruit iets ontstaat. Afgeleid van het Latijnse 'ablatus' (wegdragen, wegnemen). Het woord ablativus werd door Quintilianus (35-96) bedacht. We onderscheiden:
|
|||
|
Ablaut Een klinkerverwisseling; zie apofonie. Bijvoorbeeld: 'sterven', 'stierf', 'gestorven'. Van een ablaut is ook sprake bij afgeleide woorden. Bijvoorbeeld: 'breken' en 'breuk'. |
|||
|
Ab ovo De epische compositiestijl waarbij de schrijver de gebeurtenissen in chronologische volgorde vertelt. Afgeleid van het Latijnse ovum (ei). |
|||
|
Abrupta Korte, puntige gezegden of anekdotes. |
|||
|
Absolutief De naamval voor het subject in intransitieve, en het object in transitieve zinnen. Dit geldt voor Australische talen. Antoniem: ergatief. |
|||
|
Absolute constructie Een constituent die semantisch en qua intonatie wordt verbonden met de rest van de zin, maar waarbij een openlijke uitdrukking van syntactisch verband ontbreekt. Bijvoorbeeld: "De mannen - de zaken afgerond - sloten de werkdag af in een café". |
|||
|
Absoluut proza Een vorm van experimentele literatuur, die de zelfstandigheid van het werk voorop stelt en streeft naar maximale exploitatie van de interne betekenisrelaties. Bijvoorbeeld: Het mes in het beeld, en andere verhalen van J.F. Vogelaar e.a. |
|||
|
Abstract(um) Een woord dat een abstract begrip aanduidt. |
|||
|
Abstractum pro concreto Zie metonymia. |
|||
|
Abstraheren Het afleiden. Bijvoorbeeld: 'biels' was voorheen meervoud van 'biel', maar bij 'bielzen' als het nieuwe meervoud is 'biels' als enkelvoud geabstraheerd. |
|||
|
Absurd theater De theatervorm die in de jaren vijftig sterk opkwam en de nadruk legt op de zinloosheid en absurditeit van de mens. Ze is dan ook verwant aan het existentialisme. Verwant aan anti-theater. Bijvoorbeeld: De kaalkop luistert van Lodewijk de Boer. |
|||
|
Abusio Zie catachrese. |
|||
|
Academisme De schoolse, conventionele stijl (ook in pejoratieve betekenis). |
|||
|
Acatalectisch Met het vereiste aantal (beklemtoonde en onbeklemtoonde) lettergrepen. Afgeleid van het Griekse a (niet) en katalego (ophouden). Antoniem: catalectisch. |
|||
|
Accent De nadruk of toonhoogte waardoor een vocaal zich van andere onderscheidt. Men onderscheidt: dynamisch accent (sterk – zwak, bijvoorbeeld in de Germaanse talen), muzikaal accent (hoog – laagbijvoorbeeld in de Chinese talen) en temporeel of kwanitatief accent (vlug – langzaam, bijvoorbeeld in de klassieke talen). Zie ook bij ritme en metrum. |
|||
|
Accent aigu Het leesteken: ´. |
|||
|
Accent circonflexe Het leesteken: ^. |
|||
|
Accent grave Het leesteken: `. |
|||
|
Accentvers Een vers met een vast aantal arses, maar een willekeurig aantal lettergrepen. Vergelijk kwantitatief vers. |
|||
|
Acconsonantie
|
|||
|
Accumulatie De stijlfiguur waarbij men woorden met een overeenkomstige betekenis of woorden van dezelfde soort samen plaatst om een bepaald effect te bereiken. Ook coacervatie en congeries genoemd. Sterk verwant aan enumeratie. Vergelijk diëresis 3. Bijvoorbeeld: 'bont en blauw'. |
|||
|
Accusatief, Accusativus De vierde naamval; de objectsvorm. Afgeleid van het Griekse aitiake (causaal, waarbij het object of doel de oorzaak van de handeling of beweging is). We onderscheiden:
|
|||
|
Acephalexis Een metrische versregel waarvan de eerste lettergreep van de normale versvoet ontbreekt. Overgenomen van het Griekse akefalôs (zonder hoofd). |
|||
|
Achronie Het weglaten van de tijdsaanduiding in een verhaal. Een vorm van anachronisme. Zie ook syllepsis. |
|||
|
Acribie Het beoefenen van de filologie met uiterste nauwkeurigheid. Afgeleid van het Griekse akribeia (nauwkeurigheid, zorgvuldigheid). |
|||
|
Acrofonie Het benoemen van een letter met een woord dat met die letter begint. Bijvoorbeeld: 'Simon' in plaats van 'S'. |
|||
|
Acroniem Een letterwoord; woord ontstaan uit een afkorting. Afgeleid van het Griekse akrôs (puntig, spits). Uit het gebruik akrôs van blijkt dat het gaat om de uiteinden van de woorden waaruit de acroniem wordt gevormd. Bijvoorbeeld: 'NASA', 'radar'. |
|||
|
Acrostichon
Afgeleid van het Griekse akrôs (spits, puntig). Bijvoorbeeld: het Wilhelmus,
waarbij de beginletters van de coupletten de naam 'Willem van Nassov' vormen. |
|||
|
Acroteleuton Een gedicht dat verbinding van een acrostichon en een telestichon bevat. |
|||
|
Acta Verslagen van de handelingen van de senaat, de keizer en dergelijke. Ook gebruikt voor het bijbelboek Handelingen van de apostelen (Acta Apostolorum). Afgeleid van het Latijnse acta (handelingen). |
|||
|
Actant Een klasse van acteurs die in een verhaal- of dramageschiedenis een gemeenschappelijk kenmerk (functie) vertonen in het geheel van een handelingsverloop. Men onderscheidt gewoonlijk: subject « object begunstiger « begunstigde helper « tegenstander Gezamenlijk worden deze actants een actantieel model genoemd. |
|||
|
Actantiële syntaxis |
|||
|
|||
|
Activum, Actief
Antoniem: passivum. |
|||
|
Actuerem Een woord in een bepaalde betekenis toepassen. |
|||
|
Acutus Het teken voor ééntoppig accent: '; accent aigu. |
|||
|
Acyrologia Het gebruik van een onnauwkeurig of onlogisch woord. Een malapropisme. |
|||
|
Adagium Een spreekwoord; een traditionele stelregel. Overgenomen van het Latijnse adagium (spreekwoord). |
|||
|
Adaptatie Een bewerking van een werk om het voor een specifiek doel geschikt te maken. |
|||
|
Addendum Een appendix, aanhangsel van een boek. Overgenomen van het Latijnse addendum (dat wat moet worden toegevoegd). |
|||
|
Additie Zie adjectie. |
|||
|
Ademdissimilatie De dissimilatie om aspiratie in twee opeenvolgende lettergrepen te vermijden. |
|||
|
Adhortatief,
Adhortativus De aansporende werkwoordsvorm. Minder bevelend dan imperatief. Afgeleid van het Latijnse hortari (aansporen). |
|||
|
Adhortatieve bepaling Een bijwoordelijke bepaling van modaliteit bij een aansporing. Bijvoorbeeld: 'Kom toch!' |
|||
|
Adiectio De tekstveranderingscategorie waarbij één of meer elementen aan het oorspronkelijke geheel worden toegevoegd. Ook additie genoemd. Ze maakt daarbij bijvoorbeeld gebruik van amplificatie en appositie. Binnen een woord spreekt men van prothesis, epenthesis en paragoge. Vergelijk detractie 2, transmutatie, immutatie en repetitie 2. |
|||
|
Adiectivum, Adjectief Een bijvoeglijk naamwoord. Vergelijk: epitheton. We onderscheiden de volgende stijlfiguren:
|
|||
|
Adjectieve constituent Het bijwoordelijk deel van het predikaatsnomen. Bijvoorbeeld: 'Jan is erg ziek.' |
|||
|
Adjectivisch
demonstratief pronomen Een bijvoeglijk aanwijzend voornaamwoord. |
|||
| Adjunctio Het gebruik van één werkwoord om soortgelijke ideeën aan het begin of einde van opeenvolgende clausula's uit te drukken. |
|||
|
Adjuvant De helper van het subject in een handeling. |
|||
|
Adnominaal Bijvoeglijk; met een nomen verbonden gebezigd. |
|||
|
Adonisch vers Een kort vers, bestaande uit een dactylus gevolgd door een trochee of een spondee (-UU│-U). Genoemd naar de versvorm die werd gebruikt bij feesten ter ere van Adonis. Het is één van de aeolische versmaten. |
|||
|
Adstructie Een toelichting op de genoemde feiten of argumenten. |
|||
|
Adverbialia Een bijwoordelijk numeralium. Bijvoorbeeld: 'eenmaal'. |
|||
|
Adverbium Een bijwoord; een woord dat een nadere bepaling geeft van een werkwoord. We onderscheiden de volgende stijlfiguren:
|
|||
|
Ad verbum Verbatim. |
|||
|
Adversatief Een tegenstellend(e) bijwoord of bijzin. |
|||
|
Adversatieve
coördinatie Een tegenstellende nevenschikking, door het woord maar. |
|||
|
Adynaton Een hyperbolische omschrijving van iets dat onmogelijk is, dat nooit zal gebeuren. Een vorm van perifrase. Bijvoorbeeld: 'Als Pasen en Pinksteren op één dag vallen'. |
|||
|
Aemulatio De poging om het model (van stijl, woordgebruik, metrum) te evenaren en, zo mogelijk, te overtreffen. Vergelijk imitatie. Bijvoorbeeld: Vergilius tegenover Homeros. |
|||
| Aenos Het citeren van wijsheden uit fabels. |
|||
|
Aeode Een rondreizende epische zanger in de Griekse oudheid, die zichzelf op de citer begeleidde. Waarschijnlijk had de aeode ook een creatieve functie bij het doorgeven van epos. Vergelijk met rapsode. |
|||
|
Aeolische versmaat De versmaat die bestaat uit een afwisseling van dactylen en trocheeën, zodat tussen de lange lettergrepen steeds één of twee korte voorkomen. Genoemd naar de poëzie van het Aeolische eiland Lesbos. Ook logaëdisch vers genoemd. Bijvoorbeeld: het adonisch vers. |
|||
|
Aeschrologie Het bezigen van schuttingtaal. Afgeleid van het Griekse aischrôs (schandelijk). |
|||
| Aetiologie | |||
|
Afaeresis De weglating van letter(s) of klank(en) aan het begin van een woord. Gebruikt als stijlmiddel is het een vorm van detractie. Afgeleid van het Griekse afairesis (het wegnemen). Bijvoorbeeld: het grondwoord van 'adder' was 'nadder', waarbij in het vierde kwart van de 13e eeuw de 'n' wegviel. Vergelijk met syncope, elisie en apocope. |
|||
|
Afaesis De afaeresis (zie hierboven) van een onbeklemtoonde klinker. |
|||
|
Affective fallacy De door het New Criticism ingevoerde term voor het verschijnsel waarbij een literair werk wordt beoordeeld op het emotionele effect ervan op de lezer. |
|||
|
Affix Een aan de stam toegevoegd vormelement: prefix, infix en suffix. Afgeleid van het Latijnse figere (hechten, vastmaken). Het prefix is een voorvoegsel, bijvoorbeeld: be-, er-, ge-, ver-. Het infix is een affix dat in het midden van een woord wordt gevoegd. Het suffix is een vormelement dat aan de wortel (thema-suffix, stamsuffix) of aan de stam (flexiesuffix) wordt toegevoegd. |
|||
|
Affricaat Semi-occlusief. De klank begint als occlusief, maar eindigt als spirant. Afgeleid van het Latijnse affricare (ergens tegenaan wrijven). Bijvoorbeeld: 'pf'-klank (in het Hoogduits). |
|||
|
Aforisme Een kort, kernachtig gezegde, die een levenswijsheid bevat. Het bedient zich van ongebonden, kernachtig proza om een gedachte krachtig te formuleren. In vergelijking met de spreuk en het spreekwoord is het aforisme persoonlijker, minder algemeen. Meestal is het aforisme een citaat uit het werk van filosofen en literatoren. Vandaar dat er veelvuldig gebruik wordt gemaakt van stijlfiguren, zoals de antithese, de paradox en het parallellisme. Vergelijk ook met sententie, maxime, epigram en raadsel. Afgeleid van het Griekse ôrôs (grens). |
|||
|
Agens Het woord dat aanduidt wie of wat de door een werkwoord aangeduide handeling verricht. |
|||
|
Agglutinerend De grammatische functies uitdrukken door affixen in plaats van door buigingsuitgangen. De affixen verbinden zich wel met de wortel tot een geheel, maar zodanig dat wortel en affix steeds duidelijk gescheiden blijven. Afgeleid van het Latijnse glutinare (samenlijmen). |
|||
|
Agnomen Zie bij antonomasia. |
|||
|
Agnominatie Het herhalen van een woord met een verschil in een letter of klank. |
|||
|
Agon Het conflict tussen de protagonist (de held) en de antagonist (de tegenstander). Deze strijd komt veelvuldig voor in de tragedie's van Shakespeare, zoals Hamlet en Claudius, Macbeth en Macduff, Othello en Iago, Richard III en Henry Tudor. Het woord is afkomstig van het Griekse agôn dat 'worsteling, conflict', betekent. Een agôn was echter tevens een wedstrijd waarin prijzen werden uitgereikt op het gebied van athletiek, maar ook voor prestaties op het gebied van poëzie, drama en muziek. In het Engels klinkt het woord nog steeds door in agony. |
|||
|
Agrafa De mondeling overgeleverde uitspraken van Jezus Christus. |
|||
|
Akmeïsme De Russische dichtvorm die taal als middel gebruikt om alledaagse dingen tot poëzie te verheffen. Afgeleid van het Griekse akme (hoogtepunt). |
|||
|
Akoestische kenmerken De kenmerken die een indeling van spraakklanken veroorzaakt aan de hand van de trillingsgetallen en trillingsvormen die kenmerkend voor de klanken zijn. |
|||
|
Alba De Spaanse term voor aubade. |
|||
|
Alcaïsch metrum | - U | - - | - U U | - U | U (2x) U | - U | - - | - U | - U - U U | - U U | - U | - U De beginlettergreep van
de eerste drie alcaïsche verzen noemt men een anacrusis. De term
'alcaïsch' is afgeleid van de Griekse dichter Alcaeus. |
|||
|
Alcmanisch vers
Genoemd naar de Griekse dichter Alcman. |
|||
|
Aldicht Een Rederijkersgedicht dat zo gebouwd is dat alle woorden die in de verschillende versregels op een overeenkomstige plaats staan, met elkaar rijmen. Een voorbeeld uit Const van Rhetoriken van Matthijs de Castelein (1548):
|
|||
|
Alef De eerste letter van het Hebreeuwse en Fenicische alfabet. De letterlijke betekenis is ossekop, omdat ze vroeger als een omgekeerde A werd geschreven. Zie voor een afbeelding deze pagina. |
|||
|
Alexandrijn
|
|||
|
Alfa De eerste letter van het Griekse alfabet 'α' (ontleend aan het semitische alfabet (zie alef)). Zie deze pagina voor het volledige Griekse alfabet. |
|||
|
Aliënisme Een leenwoord. |
|||
|
Allegatie Een aanhaling; een verwijzing. Afgeleid van het Latijnse legare (als bewijs aanvoeren). |
|||
|
Allegorie Een metaforische vergelijkingsstijl: zinnebeeldige voorstelling. Afgeleid van het Griekse allos (anders) en agôreuo (in de volksvergadering (agôra) spreken). De allegorie is een geheel volgehouden beeldspraak, in tegenstelling tot de homerische vergelijking, waarbij de metafora eens ophoudt. Vergelijk parabel en fabel. Bijvoorbeeld: de Sinnespelen van de rederijkers, Scheepspraet ten overlijden van Prins Maurits van Oranje van C. Huygens (beide in dichtvorm) en Jan, Jannetje en hun jongste kind, door Potgieter (in proza). |
|||
|
Alligatorenkritiek De kritiek op literaire werken die afhangt van gemaakte afspraken of onderlinge belangen. Afgeleid van het Latijnse alligare (verbinden). |
|||
|
Alliteratie
of het voorbeeld van Gezelle:
Door elke opeenvolgende
zin of alinea te beginnen met het noemen van opeenvolgende getallen, werd het
makkelijker een tekst of tekstgedeelte uit het hoofd te leren. Afgeleid van het
Latijnse littera (letter). |
|||
|
|||
|
Allofoon De willekeurige vorm van een foneem. |
|||
| Alloiosis Het ontleden van een onderwerp in alternatieven. |
|||
|
Allomorf De extrafonologische varianten van woorden of morfemen. Bijvoorbeeld: 'Wat is dat?' wordt uitgesproken als 'Wat is tat?'. |
|||
|
Alloniem Een naam van een derde als auteursnaam gebruikt. |
|||
|
Alloquium Een apostrof. |
|||
|
|||
|
Alogisme Een onlogische, irrationele uiting of redenering. |
|||
|
Alpha privans De 'a' aan het begin van Griekse woorden die een ontkennende betekenis aan een woord geeft. Afgeleid van het Latijnse alpha (alfa) en privare (beroven, ontnemen). |
|||
|
Altaïsche talen De talen behorende tot de taalgroep waar Turks en Mongools toe behoren. Sommigen opperen dat ook Japans tot deze taalgroep kan behoren. |
|||
|
Alternantie De rijmvorm met het rijmschema abab. Afgeleid van het Latijnse alternare (afwisselen). |
|||
|
Alternerend vers Zie toppenvers. |
|||
|
Alveolaar, Alveolair Gearticuleerd met de tongpunt tegen de tandkassen. |
|||
|
Amadis-romans De ridderromans uit de late middeleeuwen, waarin zowel het avontuurlijke als het sentimentele en het wonderlijke aan bod komen. Genoemd naar Amadis de Gaula van Garci-Rodriguez de Montalvo (1508). Nauw verwant aan de arthurromans. Geparodieerd door de picareske roman. |
|||
|
Ambages Het gebruik van overdreven veel woorden. |
|||
|
Ambigram Een woord dat zo is geschreven dat het achterstevoren gelezen hetzelfde woord vormt. |
|||
|
Ambiguïteit Een dubbelzinnigheid; een amfibolie. Afgeleid van het Latijnse amb- (aan beide zijden) en agere (doen). |
|||
|
Amerikanisme Een woordvorming of uitdrukking die in strijd is met de regels in een taal, wanneer het woord of de uitdrukking te letterlijk uit het Amerikaans Engels is vertaald. Bijvoorbeeld: 'elevator' in plaats van 'lift', 'truck' in plaats van 'van'. |
|||
|
Ametrie Het ontbreken van een vast metrum. |
|||
|
Amfibolie Een dubbelzinnigheid; een ambiguïteit (zie hierboven) van grammaticale structuur. Meestal door een verkeerde punctuatie. Afgeleid van het Griekse amphibôlôs (dubbelzinnig). |
|||
|
Amfibrachys
|
|||
|
Amfidiorthosis Het verzachten of afbakenen van een aanklacht die in woede is gedaan. |
|||
|
Amfigorie
Enkele regels uit een verder gedeelte van het gedicht:
Het commentaar van Alice geeft een waardige weergave van het effect van een amfigorie: "It seems very pretty, but it is rather hard to understand!... Somehow it seems to fill my head with ideas - only I don't exactly know what they are...!" |
|||
|
Amfimaser Een versvoet met de vaste combinatie: - U -. Ook creticus genoemd. |
|||
|
|||
|
Ampersand Het teken: &. |
|||
|
Amplificatie
|
|||
| Amplificatio De Latijnse term voor de confirmatie. |
|||
|
Anacephalaeosis Een recapitulatie. |
|||
|
Anachronie De verschillen tussen de schikking in het verhaal en de chronologie van de geschiedenis. Bijvoorbeeld: anticipatie en retroversie. |
|||
|
Anachronisme Een feit in een tekst dat in een verkeerd tijdvak is geplaatst. Zie ook syllepsis 3. |
|||
|
|||
|
Anaclept Een gedicht dat alle woorden van een ander gedicht, in andere volgorde, bevat. Bijvoorbeeld: De zee van Willem Kloos van Rudy Kousbroek. |
|||
|
Anacoenosis Het vragen van de mening van de toehoorders (of lezers). |
|||
|
Anacoluthon Een anakoloet. |
|||
|
Anacreontiek De luchtig ironische stijl met sterk hedonistische thema's. Bijvoorbeeld: Pléiade. |
|||
|
Anacreontisch vers
|
|||
|
Anacrusis De beginlettergreep van de eerste drie alcaïsche verzen, die als het ware buiten het metrisch schema valt. |
|||
|
Anadiplosis Het stijlmiddel waarbij het laatste woord (of de laatste woorden) van een zin of een vers als eerste woord van de volgende zin of het vers terugkeert. Ook duplicatie of reduplicatie genoemd. Het is een vorm van epanalepsis. Vergelijk ketendicht. Bijvoorbeeld: 'Love's fire heats water, water cools not love' uit het 154de sonnet van Shakespeare. |
|||
|
Anafora, Anafoor
|
|||
|
Anagnorisis, Anagnoresis De ontknoping van een tragedie waarbij het keerpunt bestaat uit een herkenning. Een vorm van peripetie. |
|||
|
Anagog(i)e Een geestelijke, zinnebeeldige verklaring. Meestal naar het mystieke verwijzend. |
|||
|
Anagram Een door letterverplaatsing ontstaan woord uit een ander woord. Bijvoorbeeld: 'pas' uit 'sap'. Sommigen willen een zekere mystieke waarde toekennen aan het anagram van een naam, bijvoorbeeld: 'A. Hitler: the liar'. |
|||
|
Anakoloet, anacoluthon De verkeerde voortzetting van een begonnen zin; onjuiste zinsconstructie. Het woord is een samenvoeging van het Griekse negatieve prefix an- en het adjectief akalôuthôs (van 'samen marcheren'). Bijvoorbeeld: 'Als je doorgaat met je onvriendelijke gedrag - wel, wat denk je dat er zal gebeuren?' Grammaticaal gezien zou het voorwaardelijke 'als' moeten worden gevolgd door 'dan'. |
|||
|
Analecten Een bloemlezing. Overgenomen van het Griekse analektôs (verzameld). |
|||
|
Analepsis Zie flash-back. |
|||
|
Analeptische articulatie De zich voortzettende articulatie die assimilatie tot gevolg heeft. Afgeleid van het Griekse analepsis (herstelling). Ook perseverende articulatie genoemd. |
|||
|
Analogie
|
|||
|
Analyse De zins- en woordontleding. |
|||
|
Analytisch drama De dramavorm waarbij de nadruk ligt op het ontsluieren van gebeurtenissen in het verleden. De spanning wordt opgebouwd door het aftasten welk personage welke informatie bezit. Vergelijk synthetisch drama. Bijvoorbeeld: Koning Oedipus van Sophokles. |
|||
| Anamnesis Het aanhalen van zaken uit het verleden in een (juridische) rede. |
|||
|
Anapest, Anapaestus
|
|||
|
Anapodoton Het weglaten van een zinsnede. |
|||
|
Anaptyxis De epenthesis van een klinker; een svarabhaktivocaal. Afgeleid van het Griekse ana (terug) en ptusso (zich ontvouwen). |
|||
|
Anastrofe Een verwisseling van woorden. Het woord stamt van het Griekse strôfe (draai), van het werkwoord strefo (draaien). Door de toepassing hiervan krijgen de zinnen een sterk dramatisch effect. Wanneer een woord achteraan wordt geplaatst noemt men dit een postpositie. Ook inversie genoemd. Zie ook hysterologie en hyperbaton. Bijvoorbeeld: 'Mij vervloekte hij!' |
|||
|
Anat(h)ema Een (ban)vloek. |
|||
| Anatomie Het analyseren van een zaak tot de samenstellende onderdelen. |
|||
|
Anceps |
|||
|
Anekdote Een kort, aardig verhaal, meestal over bekende persoonlijkheden. Afgeleid van het Griekse anekdôta (dat wat niet uit handen is gegeven). |
|||
|
Anemografie Het beschrijven van de wind. |
|||
|
Anglicisme Een woordvorming of uitdrukking die in strijd is met de regels in een taal, wanneer het woord of de uitdrukking te letterlijk is vertaald uit het Engels. Sommige anglicismen zijn echter een algemeen geaccepteerd deel van onze taal geworden, zoals: brandnieuw ('brandnew'), zijn nek utsteken ('to stick one's neck out'), nieuwkomer ('newcomer'), als regel ('as a rule'), etc. Sommige anglicismen zien er alleen maar uit als zouden ze uit het Engels zijn overgenomen; in werkelijkheid komen ze alleen in het Nederlands voor: 'all-risk', 'happy end' en 'smoking' zijn daar goede voorbeelden van. |
|||
|
Anlaut De klinker of medeklinker waarmee een woord of een lettergreep begint. |
|||
|
Annominatie Zie paronomasia. |
|||
| Annotatie Een toelichtende aantekening. Afgeleid van het Latijnse notare (optekenen). |
|||
|
Anoiconometon Onjuiste woordschikking. |
|||
|
Anorganisch De eigenschap van een gedeelte van een woord dat niet tot de stam behoort. |
|||
|
Antagonist Zie bij agon. |
|||
|
Antanaclasis Zie anaclasis 2. |
|||
|
Antanagoge Een ongunstig aspect met een gunstig vereffenen. |
|||
|
Antapodosis Een gelijkenis waarin de vergeleken objecten in meerdere opzichten overeenkomen. |
|||
|
Antecedent Het woord of zinsdeel waar een betrekkelijk voornaamwoord naar terugverwijst. |
|||
|
Antepenultima De derde lettergreep van achteren. Afgeleid van het Latijnse ante (voor), paene (bijna) en ultimus (laatste). In de Latijnse taal geldt de antepenultima-wet: bij woorden met meer dan twee lettergrepen ligt de klemtoon op de antepenultima. |
|||
|
Antepirrhema Een afsluiting van de parabasis van een Griekse komedie door de koorleider. Tegenhanger van de epirrhema. |
|||
|
Anthimeria Een functionele verschuiving; het gebruiken van het ene gedeelte van een rede voor een andere. |
|||
|
Anthologie Een bloemlezing. Ook chrestomathie genoemd. Afgeleid van het Griekse anthôlôgia (het bijeenvergaren van bloemen). |
|||
|
Anthorismus Conciliato. |
|||
|
Anthypofora Vragen stellen en beantwoorden. Verwant aan de apocrisis en de retorische vraag. |
|||
|
Anthyppalage Het veranderen van de grammaticale naamval voor nadruk. |
|||
|
Anticategoria Wederzijdse beschuldigingen of tegenbeschuldigingen. |
|||
|
Anticipatie Een vooruitwijzing in een tekst door de verteller. Ook flash-forward genoemd. Een vorm van anachronie. Vergelijk prochronisme (en prolepsis). |
|||
|
|||
|
Antifoon Een beurtzang; een tegenzang. In de Rooms-Katholieke Kerk ook een liturgisch gezang. |
|||
|
Antifrase, Antiphrasis Het gebruiken van een woord, terwijl men de tegenovergestelde betekenis van dat woord bedoelt. Bijvoorbeeld: 'Een mooie boel', terwijl de spreker het gebeurde of de zaak helemaal niet zo mooi vindt. |
|||
|
Antilogie Een tegenstrijdigheid. |
|||
| Antimetabole De symmetrische herhaling van woorden in omgekeerde volgorde. |
|||
|
Antimetrie
|
|||
Antinomie
|
|||
|
Antiphrasis Het gebruik van woorden met een gunstige betekenis, in plaats van die met de tegenovergestelde betekenis. Zie bij antifrase. |
|||
|
Antiptosis De ene naamval door een andere vervangen. |
|||
|
Antirrhesis Het verwerpen van een argument omdat het insignificant, fout of slecht is. |
|||
Antisagoge
|
|||
|
Antispastus Een vervoet met de vaste combinatie: kort : lang : lang : kort. Afgeleid van het Griekse antispastôs (krachtig gespannen). |
|||
|
Antistasis Het herhalen van een woord in een andere of tegengestelde betekenis. |
|||
|
Antisthecon Het vervangen van een letter of klank door een andere binnen een woord. |
|||
|
Antistrofe Afgeleid van het Griekse strefo (draaien, keren).
|
|||
|
Anti-theater De theatervorm die een actieve deelname van alle betrokkenen, inclusief publiek wil bewerkstelligen. Bijvoorbeeld: Publikumsbeschimpfung van P. Handkes (1966). Zie ook absurd theater. |
|||
|
Antithese, Antithesis
|
|||
|
Antoniem Een woord met tegengestelde betekenis. Bijvoorbeeld: 'donker' en 'licht', 'goed' en 'kwaad'. |
|||
|
Antonomasia Een bijzondere naamgeving; een vervanging van soortnaam door eigennaam (of v.v.). Een vorm van perifrase. Afgeleid van het Griekse antônômazo (hernoemen, noemen in plaats van). Bijvoorbeeld: 'het zwarte goud' voor olie. Wanneer dit wordt gedaan bij personen (een bijnaam), noemt men deze vorm ook een agnomen. Bijvoorbeeld: De Romeinse satiricon Gaius Petronius had de officiële taak en autoriteit aangelegenheden op het vlak van smaak en verfijndheid te behartigen (tijdens de regering van Nero (37-68 G.T.) en kreeg de titel arbiter elegantiae. Hij kreeg het agnomen 'arbiter' en kwam bekend te staan als 'Petronius Arbiter'. Een andere vorm, aanverwant, maar verschillend, is cognomen. Strikt genomen heeft het de betekenis van familienaam, maar heeft tevens de reputatie van een bijnaam. De cognomen is de derde (meestal de laatste) naam of familienaam van een persoon. Bijvoorbeeld: Scipio's volledige naam was Publius Cornelius Scipio, waarbij Scipio het cognomen is. Wanneer een titel staat voor slechts één opvallende persoon, is er ook sprake van antonomasia. Bijvoorbeeld: Der Führer en Le Roi Soleil. Weer een andere vorm is wanneer iemands eigennaam als bijnaam wordt gebruikt. Bijvoorbeeld: Een Don Juan of een Cicero. |
|||
|
Antropomorfiseren Een metaforische vergelijkingsstijl: personificeren; een niet-grijpbaar of tastbaar begrip beschrijven als was het een persoon. Afgeleid van het Griekse anthropôs (mens). Bijvoorbeeld: 'Door 't woud der pijnen kreunt en zucht de wind' (Perk). Het kan echter ook andersom: 'Jan is de ijdelheid in persoon.' |
|||
|
Antroponiem Een persoonsnaam. |
|||
|
Aoristus De in het Grieks voorkomende verleden tijd die geen begrenzing insluit wat betreft het voortduren van de handeling; het duidt een feit of toestand aan zonder op de duur ervan te letten. In het Latijn heet deze werkwoordsvorm de perfectum historicum. We onderscheiden:
|
|||
| Apaetesis Een zaak die in woede opzij is gelegd (zie amfidiorthosis) later opnemen. |
|||
|
|||
|
Aphairesis Het oplossen van een lange lettergreep in een korte bij jambische versmaten. |
|||
|
Apocarteresis Alle hoop opgeven in de ene richting en de andere inslaan voor hulp. |
|||
|
Apocope Het weglaten van een klank aan het einde van een woord. Gebruikt als stijlmiddel is het een vorm van detractie. Afgeleid van het Griekse kôpto (stoten). Bijvoorbeeld: 'mijne' en 'mijn'. Vergelijk met afaeresis, elisie en syncope. |
|||
|
Apocriefen De godsdienstige geschriften die niet tot de canon van de bijbel behoren. Afgeleid van het Griekse krupto (verbergen). De protestanten noemen deze geschriften pseudepigrafen. De geschriften die door de protestanten apocriefen worden genoemd, worden over het algemeen deuterocanoniek genoemd. |
|||
| Apocrisis Het weerleggen van zijn eigen argumenten. Sterk verwant aan de hypofoor en anthypofora. |
|||
|
Apodictisch De eigenschap van een stelling die niet bewezen hoeft te worden. Afgeleid van het Griekse deiknumi (tonen, demonstreren). Bijvoorbeeld: op 11 maart zeggen: 'Morgen zal het 12 maart zijn', is apodictisch. |
|||
| Apodioxis Een argument verontwaardigd verwerpen als impertinent of absurd. |
|||
| Apodixis Het verwijzen naar algemeen geaccepteerde principes of ervaringen ter bevestiging van een argument in een (juridische) rede. |
|||
|
Apodosis Een nazin; een hoofdzin na de protasis (= voorwaardelijke bijzin). De apodosis is een colon 1 die deel uitmaakt van een periode. Afgeleid van het Griekse didomi (geven). Bijvoorbeeld: 'Als het morgen regent, moeten we de picknick afzeggen.' Als het morgen regent is de protasis, moeten we de picknick afzeggen is de apodosis. |
|||
Apofasis
|
|||
| Apofonema Een sententie die in antithesische vorm wordt gesteld. |
|||
|
Apofonie De klinkerverwisseling in verwante woorden en suffixen. Zie Ablaut. Bijvoorbeeld: 'zingen' en 'zongen', 'lopen' en 'liepen'. |
|||
|
Apofthegma Een kernspreuk; een zedespreuk. Wanneer een apoftegma los van zijn context wordt genoemd, spreekt men ook van een sententie. Afgeleid van het Griekse apofthegma (puntig gezegde). Bijvoorbeeld: 'De mens wikt, God beschikt.' |
|||
|
Apokoinou De stijlfiguur waarbij één element dienstdoet als bestanddeel van twee zinnen of delen van zinnen. Bijvoorbeeld Oogst van Lucebert, uit Triangel (1958):
|
|||
|
Apologie Een verweerschrift. Bijvoorbeeld: Socrates' apologie van Plato. |
|||
|
Apoloog Een fabel of anekdote met moraal. |
|||
|
Apomnemonysis Het citeren van een erkende autoriteit in een (juridische) rede. |
|||
|
Apopemptikon Het afscheidsgedicht van iemand die vertrekt voor hen die achterblijven. Antoniem: propemptikon. |
|||
|
Apoplanesis Het vermijden van de zaak door af te dwalen van het onderwerp. |
|||
|
Aporia De stijlvorm waarbij twijfel tot uitdrukking wordt gebracht (echt of gespeeld (meestal het laatste)), waar te beginnen, wat te zeggen, hoe verder te gaan. Bijvoorbeeld: 'Het is moeilijk te weten waar te beginnen...', zegt een spreker die zijn rede al keer op keer heeft geoefend. |
|||
|
Aposiopesis Een reticentie; het plotseling afbreken van een zin; een plotseling zwijgen. Afgeleid van het Griekse apôsiopesis (een stil worden). Hierdoor wordt de lezer of luisteraar gedwongen de gedachtenloop van de schrijver of spreker te volgen of voort te zetten. Door deze methode wordt, zonder dat de boodschap letterlijk wordt vermeld, een extra nadruk op de betekenis van het niet uitgesproken gedeelte gelegd. Dit kan tevens gedaan worden als vorm van ironie of om het absurde van een voorstel te doen uitkomen. Vergelijk met ellips 2. Bijvoorbeeld: Vergilius Aeneas I:135: "quos ego..." en de vooral in toneelstukken gebezigde aposiopesis: 'U bedoelt - ?' |
|||
|
Apostelspel |
|||
|
Apostrof, Apostrofé
|
|||
|
Apothegma Zie apofthegma. |
|||
|
|||
|
Appellatief, Appellativum
|
|||
|
Appositie Een bijstelling. Zie ook bij adiectie. |
|||
|
Aprosdoketon Een onverwachte wending. Afgeleid van het Griekse aprôsdôketôs (onverwacht). |
|||
|
Aptum Zie decorum. |
|||
|
Arabistiek Het linguïsme met betrekking tot het Arabisch. |
|||
|
Ara Een verwensing of smaadvers. Vergelijk dirae. |
|||
|
Arcadia Zie ecloge. Bijvoorbeeld: De Batavische Arcadia van Johan van Heemskerk. |
|||
|
|||
|
Archè De inleiding van een epinikion. Deze inleiding bestond uit een groots opgevatte beschrijving van de overwinning en roemde de gevierde overwinnaar. Dit gedeelte wordt ook strofe genoemd. |
|||
|
Archetype Het manuscript van een tekst die als moedertekst dient van alle bekende afschriften van die tekst. |
|||
|
Archifoneem De samenhang of relatie van conjuncte fonemen. Troebetskoj definieerde het archifoneem als het totaal van distinctieve kenmerken die twee fonemen gemeen hebben. |
|||
|
Archilochische verzen
|
|||
|
Aretijnse lettergrepen De lettergrepen ut (do), re, mi, fa, sol, la, si als benoeming van muzieknoten, ingevoerd door Guido van Arezzo. |
|||
| Argumenta De tweede fase van de Vinding (zie de link voor meer informatie). |
|||
|
Argumentatie Het tweede deel van de corpus van een klassieke rede, waarin de redenaar de argumenten voor zijn voorstel, in de propositie, naar voren bracht. |
|||
|
Argumentum
|
|||
|
Argutie Een spitsvondigheid. Afgeleid van het Latijnse argutus (spitsvondig). |
|||
|
Aristophanisch vers De versvoet: - U U | - U | - U. Ook de eerste Pherecrateus genoemd. Naar de Griekse dichter Aristophanes genoemd. |
|||
|
Arsis Een beklemtoonde lettergreep in een versvoet; het deel van een versvoet waarop de ictus valt. Ook heffing genoemd. Antoniem: thesis. |
|||
|
Arte mayor De Spaanse versvorm van een achtlettergrepig, later een twaalflettergrepig vers aangewend in strofen van acht regels. De regels die bestaan uit twaalf lettergrepen hebben een cesuur na de zesde lettergreep. De klemtoon ligt op de tweede lettergreep en het rijmschema is gewoonlijk abba,acca. |
|||
|
Arte minor De Spaanse versvorm van twee tot acht lettergrepen, met een klemtoon op de voorlaatste lettergreep. |
|||
|
Articulatie De opeenvolging en vorming van spraakklanken. |
|||
|
Articulatorische
kenmerken De kenmerken aan de hand waarvan men in de oudere foniek de spraakklanken indeelde. Men beschreef daarbij, welke spraakorganen aan de vorming van een spraakklank meewerkten en welke stand ze daarbij innamen. |
|||
|
Artikel, Articulus Een lidwoord. |
|||
|
Aschematiston Het onbekwaam gebruiken van stijlfiguren. |
|||
|
Asclepiadeïsch vers
|
|||
|
Asianisme |
|||
|
Asiatismus De stijl met veel figuren, maar weinig ter zake doende woorden. Zie ook bij asianisme (hierboven). |
|||
|
Aspect
Alleen het imperfectum,
de indicativus van de aoristus en het
plusquamperfectum
verplaatsen de handeling naar het verleden. |
|||
|
Asphalia Zichzelf aanbieden als borg voor een verplichting. |
|||
|
Aspiraat Het ontploffingsgeluid waarop onmiddelijk na opening van de mondholte een sterke uitademing volgt. |
|||
|
Aspiratie Het uitspreken met aanblazing. Bijvoorbeeld: de 'h'. |
|||
|
Assertie Een verklaring; een bewering. Afgeleid van het Latijnse assertum (beweren). |
|||
|
Assibilatie,
Assibilering De ontwikkeling tot van een plofklank tot een sisklank of affricaat. Afgeleid van het Latijnse sibilare (sissen, ruisen). Bijvoorbeeld: 'pf'. |
|||
|
Assimilatie Het aan elkaar gelijk worden van twee ongelijke, op elkaar volgende klanken. Afgeleid van het Latijnse similis (gelijk, gelijkend). Bijvoorbeeld: in het 4e kwart van de 13e eeuw kenden wij pas het woord 'litteken', daarvoor heette dit een 'lîkteken'. |
|||
|
Assonantie
Het effect van assonantie is niet altijd van dezelfde aard. In het gegeven voorbeeld steunt de assonantie het ritme. In andere gevallen bestendigt ze een stemming of gezichtsindruk, die door het eerste woord gewekt wordt, zoals in het voorbeeld van Gossaert:
De assonantie kwaal/jaar bestendigt hier het door kwaal opgeroepen gevoel van onbehagen, dat langs associatieve weg wordt doorgetrokken. Een andere mogelijkheid, zoals benut door Perk:
De assonantie
wuiven/gepluimde bestendigt hier de gezichtsindruk, die door het woord wuiven is
gewekt.
In de Oudgermaanse poëzie was assonantie samen met alliteratie de enige vorm van rijm. |
|||
| Asteismus Een schertsend of spottend antwoord met een woordspeling. |
|||
|
Asyllabisch Niet syllabisch. |
|||
|
Asyndetisch Zonder voegwoord of zonder verbindings-woord. |
|||
|
Asyndetische
vergelijking
|
|||
|
Asyndeton Een zinsverbinding zonder voegwoorden, met name bij een enumeratie. Ook inconexie of dissolutie genoemd. Afgeleid van het Griekse sundeo (aaneenschakelen). Bijvoorbeeld een zin uit Multatuli's Max Havelaar: 'Dan zou ik myn boek vertalen in het Maleis, Javaans, Soendaas, Alfoers, Boeginees, Battaks...' De bekendste asyndeton is van Julius Caesar: 'Veni, vidi, vici.' Antoniem: polysyndeton. |
|||
|
Atellana Fabula atellana, genoemd naar de stad Atella, was een oude, boertige en komische klucht in klassiek Griekenland. De scènes hadden betrekking op het dagelijkse leven en kende steeds terugkerende typen (Marcus de Gek, Pappus het oude mannetje, Dossennus de Bultenaar, Manducus de Veelvraat, etc.) Het was vooral bij het ongecultiveerde publiek geliefd toen deze vorm in Rome bekend werd. |
|||
|
Athematisch Zonder thematische klinker. |
|||
|
Atonale poëzie De vorm van experimentele poëzie, waarin door klanken en associaties een beeld wordt opgeroepen, zonder dat daarvoor een duidelijke, vaste opbouw bestaat. |
|||
|
Atonisch Onbeklemtoond. |
|||
|
Attenuatie Zie minutio. Afgeleid van het Latijnse attenuatio (verzachting). Antoniem: amplificatie. |
|||
|
Atticisme |
|||
|
Attische genetivus De genetivus singularis op eos. |
|||
|
Attische reduplicatie |
|||
|
Attractie
|
|||
|
Attributief-praedicatief
|
|||
|
Attributieve genitief De naamval waardoor iets genoemd wordt als behorend tot een persoon of zaak. |
|||
|
Attribuut Een bijvoeglijke bepaling. Afgeleid van het Latijnse tribuere (delen). |
|||
|
Aubade De liedvorm waarin geliefden hun spijt uitdrukken over het opkomen van een nieuwe dag. Ontstaan tegen het einde van de twaalfde eeuw. Afgeleid van het Franse aube (ochtendschemering). Bijvoorbeeld: Troïlus and Criseyde, Book III van Chaucer (±1380). |
|||
|
Auctoriaal De eigenschap van een letterkundig werk waarvan de gebeurtenissen worden verteld vanuit een alwetende verteller. Vergelijk met personaal. |
|||
|
Auditorische kenmerken De kenmerken die voor het oor waarneembaar zijn en waardoor spraakklanken ingedeeld kunnen worden. |
|||
|
Augmentum Een prefix bij de werkwoordstam in de onvoltooid verleden tijd in het Grieks en Sanskriet. Afgeleid van het Latijnse augmen (aanwas). |
|||
|
Augmentatief Vergrotend; vergrotingswoord/affix. |
|||
|
Augmentum syllabicum Het augmentum (zie hierboven) in het Grieks wanneer een woord met een consonant aanvangt; het augment is dan een 'e'. |
|||
|
Augmentum temporale Het augmentum (zie hierboven) in het Grieks wanneer een woord met een vocaal aanvangt en er een verlenging plaatsvindt. |
|||
|
Auletische nomos Zie nomos. |
|||
|
Auslaut De eindklank van een woord of een lettergreep. |
|||
|
Austronesisch Behorende tot de Maleis-Polynesische taalgroep. |
|||
|
Autobiografie Het episch genre waarbij de schrijver zijn eigen leven beschrijft. |
|||
|
Autograaf Een eigenhandig geschreven stuk. |
|||
|
Autologisch Identiek met het begrip dat door het gebruikte adjectief wordt aangeduid. Bijvoorbeeld: 'vijflettergrepig' is vijflettergrepig. |
|||
|
Autoniem Een woord dat in een zelfnoemfunctie wordt gebruikt. Bijvoorbeeld: 'Lang lijkt op een Chinese naam'. |
|||
|
Auto-sacramental Een genre van het Spaanse klassieke toneel van rond de zeventiende eeuw met een sterk allegorische inslag. Het bestaat uit één bedrijf, geschreven ter ere van het Heilig Sacrament en opgevoerd op Sacramentsdag. Belangrijke auteur in dit genre is Calderon de la Barca. |
|||
| Auxesis Het plaatsen van woorden of clausula's in volgorde van oplopende spanning. |
|||
|
Aversio |
|||
|
Avonturenroman Het episch genre waarbij de gebeurtenissen (in plaats van de ideeën) rondom een hoofdpersoon worden beschreven. Meestal gaat het daarbij om avonturen in het verleden en in onbekende streken. Vaak zijn avonturenromans tot op zekere hoogte ook historische romans. Bijvoorbeeld: Oriënt Express (1934) van A. den Doolaard, en Rumeiland (1940) van S. Vestdijk. |
|||
|
Axioma Een (onbewezen (volgens sommigen onbewijsbare), apodictische) grondstelling.
|
|||
| © Maurice van Elburg (m.van.elburg@raketnet.nl) Niet zonder toestemming kopiëren. |
|||
| Terug naar de homepage of Naar B >> | |||