|
Fabel
Een verhaal in dichtvorm behorende
tot het beschouwende of didactische genre. De fabel is van allegorische aard en
bevat een moraal (levensles). De hoofdpersonen zijn in hoofdzaak dieren.
Bijvoorbeeld: de fabels van Lafontaine.
De eerst bekende dichter, die als schrijver van fabels te boek staat, is de
Griek Aesopus (6e eeuw v.G.T.). Van zijn fabels zijn in de dertiende eeuw een
aantal in het Middelnederlands uitgegeven onder de titel Esopet.
In feite echter is dit genre veel ouder: reeds bij de Egyptenaren en Indiërs
vinden wij fabels (al zijn de bekendste verzamelingen, Pançatantra en Hitopadeça,
van later datum).
Fabliau
Een kleine humoristische en gewaagde
vertelling of verhalend gedicht, in octosyllabische paarsgewijs rijmende
verzen, uit het dagelijks leven. Ook boerde,
Schwank of sproke
genoemd.
Fabula atellana
Zie atellana.
Fabula palliata
Een vorm van blijspel of
tragedie
door Livius Andronicus in Rome ingevoerd in de derde eeuw v.G.T., grotendeels in
navolging van Griekse voorbeelden. De personages droegen Griekse kledij.
Afgeleid van het Latijnse pallium (mantel).
Bijvoorbeeld: Miles gloriosus van Plautus (±200 v.G.T.).
Fabula praetextata
Een soort historisch drama waarvan
de inhoud gebaseerd was op de Romeinse geschiedenis en met bekende Romeinse
helden als personages. De spelers droegen Romeinse kledij. Afgeleid van het
Latijnse toga praetexta (de toga met de purperen band).
Bijvoorbeeld: Alimonium Romuli et Remi van Naevius (±200 v.G.T.).
Fabula togata
Een vorm van blijspel
gebaseerd op Griekse modellen, maar aangepast aan Romeinse toestanden. De
spelers droegen Romeinse kledij.
Bijvoorbeeld: Divortium van Afranius (tweede eeuw v.G.T.).
Facetie
Een korte, grappige vertelling met
erotische of scatologische inslag. Verwant aan de boerde, maar
vernuftiger naar vorm en inhoud. Afgeleid van het Latijnse facetiae
(komische invallen).
Factie
Een dramatisch genre van de
Rederijkers, zonder intrige. Het was een aaneenschakeling van monologen,
gebracht door personages uit alle rangen en standen.
Bijvoorbeeld: Van den Coninc Philippus van P. de Herpener (1556).
Factitief
Een werkwoord dat een doen uitdrukt;
met bepaling bij het direct object;
causatief.
Fallisch gedicht
Een bacchisch vers.
Familieroman
Het episch genre waarbij de
schrijver het wel en wee beschrijft van een gezin of een familie gedurende
enkele generaties.
Fantastiek
De literatuur van de verbeelding.
Bijvoorbeeld: de mythen van de mensheid.
Farce
Een kort en komisch toneelstuk uit
de late middeleeuwen, vaak als tussenspel tussen scènes van religieus toneel.
Door het opvoeren van karikaturiale personages liet men de toeschouwers om hun
eigen gebreken lachen. Afgeleid van het Franse farce (opvulling).
Faryngaal
Een in de keelholte gevormde klank.
Fatisch
Afgeleid van het Griekse femi (zeggen).
-
De woordvormen in de
zin betreffend.
-
Communicatie omwille
van de gevoelens en gezelligheid, in plaats van als doel te hebben informatie,
ideeën of een mening uit te wisselen.
Bijvoorbeeld: 'Nou, ik zou zo zeggen: pas goed op jezelf.'
Faucaal
Een keelklank. Afgeleid van het
Latijnse fauces (keel).
Features
De kenmerken van (spraak)klanken.
Feminimum
-
Het vrouwelijk
grammatisch geslacht.
-
Een vrouwelijk substantief.
Fictie
De vorm van schrijven waarbij
gebruik gemaakt wordt van verzonnen elementen.
Figura etymologica
Het verbinden van twee woorden van
éénzelfde stam. vergelijk paronomasia en
polyptoton.
Bijvoorbeeld: 'een leven leven'.
Figuur
Elke pakkende of ongewone samenstelling van woorden of
frasen.
Figuurdicht
Zie calligram en
carmen
figuratum.
Filippica
Een strafrede; een smaadrede. Met
name sommige redevoeringen van Demosthenes en Cicero zijn in deze stijl opgezet.
Demosthenes gebruikte deze redestijl bijvoorbeeld om de Atheners tegen Philip II
van Makedocië (de vader van Alexander de Grote) op te zetten.
Filologie
De historische en/of vergelijkende
taal- en literatuurwetenschap; de wetenschap van de taal met op teksten
geconcentreerde aandacht; de taalkunde.
Finale (bij)zin
Een doelaangevende (bij)zin.
Finiet
Persoons-.
Finitie
De vorm van de hoofdvraag van een
strafproces, waarbij wordt gevraagd of de beschuldigde precies dát heeft gedaan
waarvan hij beschuldigd wordt (an hoc fecerit). Vergelijk
coniectura, qualitas en
translatie.
Flagellantica
De literatuur die betrekking heeft
op het geselen (als seksuele prikkel).
Flandricisme
Een woordvorming of uitdrukking die
in strijd is met de regels in het Frans, wanneer het woord of de uitdrukking te
letterlijk vertaald is uit het Vlaams.
Flashback
Een verslag binnen een verhaal van
wat voorheen of vroeger gebeurd is. Ook analepsis of retroversie
genoemd.
Flashforward
Het op het verhaal vooruitlopen.
Flecteren
Het verbuigen, het vervoegen.
Flexie
Een buiging; een verbuiging.
Flexiemorfeem
Het gebonden morfeem dat
alleen een grammaticale functie en geen betekenis heeft.
Vergelijk: stammorfeem.
Florilegium
Een anthologie; een
bloemlezing. Afgeleid van het Latijnse flos (bloem) en legere
(verzamelen).
Foneem
Het kleinste
betekenisonderscheidende klankcomponent van klankbouwsels. Dr. Van den Berg
deelt (Nederlandse) fonemen als volgt in:
-
fonemen die niet
onderling gecombineerd worden;
-
fonemen die op
bepaalde manieren wel onderling gecombineerd worden;
-
een foneem dat alleen
met één der leden van groep 1. gecombineerd wordt.
Fonetiek
De leer van de fysieke en
fysiologische vorming van de spraakklanken.
Fonetische poëzie
Zie concrete poëzie.
Foniek
De leer der klankverschijnselen; de
samenvattende benaming voor fonetiek en fonologie (zie
hieronder).
Fonologie
De wetenschap die de spraakklanken
van een taal beschouwt als samenhangend systeem en met het oog op hun
onderscheidende functie, speciaal met betrekking tot fonemen.
Formans
Een vormend element, met name prefixen
en affixen. Afgeleid van het Latijnse formare (vormen) en -ant
(een (effect) bepalend voorwerp of persoon).
Formant
-
Elk van de
geluidsfrequenties die samen een bepaalde spraaklank vormen.
-
Een affix.
Fortis
Een klank die met een krachtige
spiersamentrekking (en dus met een sterke beklemtoningsenergie) wordt
uitgesproken.
Bijvoorbeeld: 'p', 't', 'k'.
Fossiel
Een ouderwets woord.
Franciseren
Een Frans karakter geven aan een
(Nederlands) woord.
Bijvoorbeeld: 'slijtage' van 'slijten' met de typisch Franse vervoeging '-age'.
Franglais
Engelse woorden in het Frans.
Frankische roman
Een romanvorm van het chanson de
geste. De roman is vóórhoofs, omdat de zeden nog ruw zijn en de houding
tegenover de vrouw van weinig verfijning getuigt.
Frase
-
Een volzin;
-
Een mooi klinkende
uitdrukking met weinig inhoud.
Fraseologie
-
Een verzameling
spreekwijzen (gezegdes, uitdrukkingen en idiomatische wendingen).
-
Woordenkeus en
zinsbouw.
-
Het gebruik van frasen
2 (zie hierboven).
Frequentatief
Een werkwoord dat een herhaalde
handeling of een herhaalde gebeurtenis uitdrukt (iteratief).
Bijvoorbeeld: bij het werkwoord 'hakkelen' is direct duidelijk dat dit duidt op
een steeds terugkerende spreek- of leesfout.
Fricatief
Een medeklinker gevormd door
vernauwing van het spraakkanaal, zodat, door de ontsnappende lucht, een geruis
ontstaat (antoniem: occlusief). Afgeleid van het Latijnse fricare
(wrijven).
Synoniem: glijder, spirant.
Bijvoorbeeld: 'w' (labiaal), 'f', 'v' (labiodentaal), 's', 'z' (dentaal), 'j'
(palataal), ' ', 'g' (velaar), 'h' (laryngaal).
Frisisme
Een woordvorming of uitdrukking die
in strijd is met de regels in een taal, wanneer het woord of de uitdrukking te
letterlijk is vertaald uit het Fries.
Fronte
Het eerste deel van een strofe
uit een canzone. Vergelijk
sirima.
Fulgura fracta
Ontzenuwde argumenten.
Fulminatie
Een scheldpartij.
Fumisterie
Een grap; een mystificatie.
Functie
De betekenis die woorden kunnen
krijgen door hun groepering in de zin.
Functiewoord
Een woord dat de functie heeft de
betrekking tussen zinsdelen uit te drukken.
Bijvoorbeeld: voorzetsels, voegwoorden.
Vergelijk: inhoudswoord.
Functionele grammatica
De beschouwing van de grammatica die
uitgaat van de functie (zie hierboven) van taaldelen, niet van de vorm.
Functionele syntaxis
De relaties tussen de
(belangrijkste) gebeurtenissen van een geschiedenis.
Futhark
Het runenalfabet.
Futurum
De onvoltooid toekomende tijd; het
geeft te kennen, dat iets in de toekomst zal zijn of geschieden.
Futurum atticum
De vorm van de futurum (zie hierboven)
waarbij de 'σ' van 'eso'
wegvalt en er een samentrekking plaatsvindt. Deze vorm komt overigens ook bij
enkele (zeer zeldzame) andere werkwoorden voor.
Futurum exactum
De voltooid toekomende tijd.
|